In de papierindustrie is de vezelmorfologie een van de belangrijkste factoren die de eigenschappen van de pulp en de uiteindelijke papierkwaliteit bepalen. Vezelmorfologie omvat de gemiddelde vezellengte, de verhouding tussen de dikte van de vezelcelwand en de celdiameter (ook wel de wand-holteverhouding genoemd) en de hoeveelheid niet-vezelige heterocyten en vezelbundels in de pulp. Deze factoren beïnvloeden elkaar en hebben gezamenlijk invloed op de bindsterkte van de pulp, de dehydratie-efficiëntie, de kopieerbaarheid, evenals de sterkte, taaiheid en algehele kwaliteit van het papier.
1) Gemiddelde vezellengte
De gemiddelde vezellengte is een belangrijke indicator voor de kwaliteit van pulp. Langere vezels vormen langere netwerkketens in de pulp, wat de bindingssterkte en treksterkte van het papier verbetert. Naarmate de gemiddelde vezellengte toeneemt, neemt ook het aantal verwevingspunten tussen de vezels toe. Hierdoor kan het papier spanningen beter verdelen wanneer het aan externe krachten wordt blootgesteld, wat de sterkte en taaiheid van het papier ten goede komt. Het gebruik van vezels met een langere gemiddelde lengte, zoals sparrenpulp of katoen- en linnenpulp, kan daarom leiden tot papier met een hogere sterkte en betere taaiheid. Dit soort papier is geschikter voor toepassingen waar hogere fysieke eigenschappen vereist zijn, zoals verpakkingsmateriaal, drukpapier, enzovoort.
2) De verhouding tussen de dikte van de vezelcelwand en de diameter van de celholte (wand-holteverhouding)
De verhouding tussen wanddikte en holte is een andere belangrijke factor die de eigenschappen van pulp beïnvloedt. Een lagere verhouding tussen wanddikte en holte betekent dat de vezelcelwand relatief dun is en de celholte groter, waardoor de vezels tijdens het pulp- en papierproductieproces gemakkelijker water kunnen absorberen en zachter worden. Dit bevordert de verfijning, dispersie en verstrengeling van de vezels. Tegelijkertijd bieden dunwandige vezels een betere flexibiliteit en vouwbaarheid bij het vormen van papier, waardoor het papier beter geschikt is voor complexe verwerkings- en vormprocessen. Vezels met een hoge verhouding tussen wanddikte en holte kunnen daarentegen leiden tot te hard en broos papier, wat niet bevorderlijk is voor verdere verwerking en gebruik.
3) Inhoud van niet-vezelige heterocyten en vezelbundels
Niet-vezelige cellen en vezelbundels in de pulp zijn negatieve factoren die de papierkwaliteit beïnvloeden. Deze onzuiverheden verminderen niet alleen de zuiverheid en uniformiteit van de pulp, maar kunnen tijdens het papierproductieproces ook knopen en defecten vormen, wat de gladheid en sterkte van het papier aantast. Niet-vezelige heterocysten kunnen afkomstig zijn van niet-vezelige componenten zoals schors, hars en gom in de grondstof, terwijl vezelbundels vezelaggregaten zijn die ontstaan doordat de grondstof tijdens het bereidingsproces onvoldoende uiteenvalt. Daarom moeten deze onzuiverheden tijdens het pulpproces zoveel mogelijk worden verwijderd om de pulpkwaliteit en de papieropbrengst te verbeteren.
Geplaatst op: 28 september 2024

